In Efeze 6:12 heeft Paulus het over de geestelijke strijd. Deze is niet gericht tegen vlees en bloed maar tegen de overheden, tegen de autoriteiten, tegen de machthebbers van de wereld van de duisternis van deze eeuw, tegen geestelijke krachten op hoge plaatsen. (Vertaald vanuit het Grieks)
Nu denken we al gauw aan demonen en duistere krachten en willen het gevecht aangaan door gebed en deze machten en krachten verslaan in Jezus naam.
Maar wordt dat hier bedoeld? Om te begrijpen wat geestelijke strijd is moeten we beginnen in het eerste Testament.
Het tweede Testament kan niet zonder het eerste. Dus we gaan terug naar Exodus waarin de Heer vraagt een Tabernakel te bouwen in de woestijn, waarbij Hij de Israëlieten in Numeri opstelt bij hun vaandels. In Numeri 2 wordt er duidelijk krijgstaal gehanteerd. Het is niet zomaar een opstelling, het is een soort slagorde van legers. Het woord ‘legers’ wordt hier in Numeri gebruikt en God is de Heer der strijdkrachten. In Exodus 14:14 wordt God een heilige Krijger genoemd en zelfs een man van de oorlog, een Krijgsheld, in Exodus 15:3.
In die tijd, als men ten oorlog trok, gingen de banieren voorop en op die banieren stonden de goden uit dat land. Men begon de oorlog om te vechten tegen elkaars goden. Ze wilden dat hun god zou overwinnen en dan zouden de mensen uit het betreffende land kiezen voor de god die overwonnen had.
Een goed voorbeeld is Sanherib in Jesaja 36. Hij maakt God belachelijk en Hizkia geeft aan dat het om Gods naam gaat.
Hizkia wilde dat zijn God, JHWH, de overwinning zou hebben.
De Banieren
De vier hoofdbanieren van de Israëlieten waarbij de Israëlieten zich moesten legeren hadden met God te maken. Rabbijnse overlevering zegt dat, de os, de mens, de adelaar en leeuw op de banieren stonden. (Dit is ook gebaseerd op Ezechiel1: 10) Ze verwijzen allen naar Jezus, Hij is de leeuw van Juda, de adelaar op wiens vleugels wij worden gedragen, de os (rode koe) waardoor je rein wordt (zie Numeri 19) en de mens die naar deze aarde is gekomen. Alles verwijst naar Jezus, want bedenk: Hij is het die voor ons strijd. De stammen van Israël moesten weten dat God voor hen streed tegen de andere goden, die als afgoden gezien werden.
Goden, landen en mensen waren aan elkaar verbonden. Zonder je (af)god was je dood. De afgoden duldt God ook niet in het land en moest je vertrekken uit Het land. Alles was goddelijk in die tijd. Elke land in het oude Midden-Oosten had eigen goden met hun eigen verhalen en banieren. Zo ook Israël met de Heer als hun God, Israël als hun land en God als hun Banier.
De opstelling van de Tabernakel en zijn legers leek op de opstelling van de strijdkrachten van het oude Egypte waarbij ook daar de tent van de Farao aan het einde stond.*
Hij zat achter een dubbel tentdoek en alleen een speciale krijgsheer mocht de Farao bezoeken. De Farao werd als een godheid gezien en hij waar vandaan kwam was de kosmos.
Het stuk achter het gordijn in de tent werd als de kosmos gezien.
De Heer neemt de opstelling van Egypte als voorbeeld over en laat zien dat Hij ook een Krijgheer is. Ook Hij zetelt achter een gordijn en woont in de kosmos.
De kolommen van vuur in de nacht waren bekend in die tijd en dit kun je ook lezen in oude geschriften bij Alexander de Grote wanneer deze zijn militaire kamp opslaat. Hij heeft kolommen van vuur in de nacht aangemaakt. Het verschil met Israël is, dat God het vuur is, en geen zelf gestookt vuurtje zoals bij Alexander de Grote.
De Trompetten die gebruikt werden wanneer ze moesten vertrekken verwijzen naar oorlogstrompetten.
God wordt in de bijbel mijn Banier genoemd. In het eerste Testament gaat het dus om Gods grootheid en Naam. De strijd was een strijd tegen de goden uit de omringende landen. Daarom was het ook zo belangrijk om te vragen of ze wel ten strijde mochten trekken. Het ging immers om Zijn Naam. Is JHWH met hen in de strijd of niet? Onze Vader laat zich niet voor een karretje spannen en je kunt Zijn naam ook niet zomaar te grabbel gooien.
Het was derhalve een ernstige zaak. Bij een overwinning werden niet zozeer mensen uitgemoord maar wel verdreven met hun goden. Je mocht blijven als je de god van het desbetreffende land wilde dienen. Zo ook Israël. Rachab (Jozua 6:17) mocht blijven en werd ingelijfd in Gods volk Israël omdat ze JHWH wilde dienen. Leven was met God en de ban was, verdreven worden zonder je goden en dat werd ervaren als dood.
Zo werd strijd gevoerd in het oude Israël.
*De plaatjes van de Tabernakel in hun midden klopt niet gezien de teksten in het Hebreeuws. In Numeri 2:2 staat het woord rond de ontmoetingscentra maar in het Hebreeuws staat het woord ‘neged’ wat tegenover betekent. Men is beïnvloed geraakt door
de plaatjes. God zegt dat Hij in hun midden woont in Exodus 29:45. Dit klopt. In het Hebreeuws staat: Ik zal neerdalen in de zonen van Israël, in hun midden. Hij woonde in hun hart. Zoals God ook bij ons neerdaalt door de Heilige Geest zo deed Hij dat toen ook. De Tent van ontmoeting stond, voor de stammen buiten het kamp. Er zijn meerdere bewijzen dat de Tabernakel aan het eind (of begin, afhankelijk van je uitgangspositie) stond maar daar ga ik nu niet op in.

De Tabernakel met omheining en de Tent van de Farao met omheining. Daarvoor stonden de legers opgesteld.
Bron: The Thora.com
Volgende keer.
Wat is nu geestelijk strijd in het Tweede Testament?