Ga naar de inhoud

De parabel van de talenten (Mattheüs 25:10-30)

Het eeuwige opnieuw beginnen.

Een leerling vroeg de rabbi van Berditsjew: ‘Op de plaats waar zij staan die zich bekeren kan de volmaakte rechtvaardige niet staan.’ Dan zou dus de van jongs af aan smetteloze ten achter staan bij iemand die zich dikwijls tegenover God had misdragen en hij zou diens niveau nooit bereiken.

Hij aan wie zich iedere dag’ antwoordde de tzaddik’ nieuwe lichten openbaren, die hij gisteren nog niet kende, moet hij als hij in waarheid dienen wil de gebrekkige wijze waarop hij gisteren diende verwerpen en daarover boete doen en opnieuw beginnen.

Maar de smetteloze die meent volmaakt te dienen en daarin volhardt, neemt het licht niet aan en blijft bij degene die zich eeuwig bekeert achter.

Martin Buber

In Mattheüs 25:14-30 staat de parabel van de talenten. Jezus geeft een voorbeeld van het koninkrijk der hemelen in de eindtijd.

Het verhaal gaat over een man op reis die zijn knechten talenten geeft.

Achtereenvolgens geeft hij vijf, twee en talent. Hij geeft ieder naar zijn mogelijkheden.

Nu gaat hij weg en komt op een dag terug en dan heeft hij die er vijf had deze verdubbeld en die met twee talenten heeft er twee keer zoveel van gemaakt. Degene die er één had heeft hem begraven en er niets mee gedaan uit angst voor de Heer. De eigenaar zegt zelfs dat hij nog rente had kunnen krijgen als hij het ergens had ondergebracht. Men mocht in Israël geen rente vragen op basis van Leviticus 25:35-37, Deuteronomium 23:19. Wel mocht men rente vragen aan de vreemdeling. (Deuteronomium 23:20)

De eigenaar is boos en zegt tegen de laatste met één talent dat hij in duisternis zal wandelen, wat wel heel ernstig klinkt.

Wat heeft dit nu te betekenen?

Het woord voor talenten in Grieks is talenton en de Hebreeuwse vertaling hiervoor is kikar. (Talenten die men heeft om bijvoorbeeld goed te kunnen sporten of zingen wordt met kisharon vertaald. Dat zijn de talenten met betrekking tot kwaliteiten)

Kikar heeft meerdere betekenissen. Het kan geld betekenen waarbij een talent zilver zes duizend dinaries was en daarbij wetende dat een dagloon één dinarie zilver was. (Mattheüs 20:13-15) Opvallend is dat de heer de vijf talenten ‘weinig’ noemt, het was een klein deel van zijn bezit en hij was dus ‘schathemeltje rijk.’ (Mattheüs 25:21) (Vijf talenten is 30.000 dinaries zilver, 82 jaar loon)

In deze parabel is niet duidelijk welk edelmetaal Jezus bedoelt. Goud, zilver of koper, de tekst geeft het niet duidelijk aan.

Een kikar kan echter ook een rond brood betekenen. Geld en brood in deze context zijn aan elkaar verbonden. Wij kennen de uitdrukking: ‘Er moet brood op de plank komen, oftewel geld in het laadje.’

Wat bedoelt Jezus nu met deze talenten? Roept Hij op om als je veel geld hebt er nog meer bij te krijgen of gaat het hier om iets heel anders? Nu gaat het koninkrijk niet over het vermeerderen van het eigen bezit maar over het uitbreiden van Gods bezit! Dat was ook de bedoeling van de knechten. Zij moesten het eigendom van de beheerder vermeerderen. (Persoonlijk denk ik dat het om gouden talenten ging, omdat het vermenigvuldigen van het koninkrijk van God een gouden opdracht is.)

Deze parabels staan in de context van het koninkrijk van God.

Het koninkrijk der hemelen is hetzelfde als het koninkrijk van God en dat is Jezus zelf. Hij zegt dat zelf ook een paar keer met de uitroep dat het koninkrijk van God onder hen is. Hij is en was de levende tempel hier op aarde, Het Heilige der Heiligen is: Jezus de Hoge Priester. Jezus, De tempel en dan voornamelijk het Heilige en Heilige der Heilige. In het eerste testament was ook dit een beeld van het koninkrijk van God.

In het Heilige der Heiligen staat de Ark van het Verbond met het Verzoendeksel geheel van zuiver goud met daarin de tien geboden, het manna, de bloeiende staf van Aaron en de tien geboden in de Ark. Twee engelen staan aan weerszijde.

In de tabernakel ligt brood (manna -synoniem voor Jezus en tafel der toonbroden- beeld van Jezus) en staat in het Hebreeuws voor het woord van God. Jezus zegt van zichzelf: ‘Ik ben het levende brood.’

Het geheel wijst naar Jezus.

De getallen van de uitgedeeld talenten hebben betekenis: 5+2+1=8. In het Joodse denken is acht het getal van de Messias. David was de achtste zoon en dit heeft al een heen verwijzing naar de Gezalfde. Het getal twee is in het Hebreeuws: huis.

De tempel is Gods huis. De betekenis van het getal vijf kan velen zijn. Het kan onder andere het fundament van het huis: de Thora, de Hand van God, bescherming, genade, betekenen maar commentaren zijn het daarin niet met elkaar eens. Misschien zijn alle commentaren wel waarheid. De tempel kent wel een veelvoud van vijf in zijn afmetingen. (De voorhof is 50 bij 100 el, het Heilige de Heiligen 10x10x10 el)

Het getal één staat voor de eenheid van God. Elke dag wordt het ‘Hoor Israël’ door de gelovige jood geproclameerd waarin men zegt: ‘Hoor Israël, de HEER is onze God, de HEER is de enige.’ (Deuteronomium 6:4)

Sjema kan verder gezien worden als een afkorting van initialen van het bekende vers: ‘Se’oe Maron Eneechem – hef uw ogen naar de hemel om te begrijpen dat er buiten het Goddelijke Wezen dat de hemel omspant, niets is.’ Het Opperwezen noemen we Hasjeem. Hoewel we niets van Zijn Wezen begrijpen, is hij Één (Rabbijn Evers).

Dit Sjema wordt hardop geciteerd door de gelovigen twee tot drie keer per dag. Voor iemands sterven proclameert men het ook.

De Talmoed beschrijft in B.T. Pesachiem 56a: Toen Jakob op zijn sterfbed lag en zijn kinderen vroeg of zij trouw waren aan God, antwoordden zij: ‘Sjema Jisra’eel (Jakob) de Eeuwige is onze God, de Eeuwige is Één.’ Jakob antwoordde: ‘Baroech Sjeem Kevod Malchoeto Le’olam Va’ed.’ (Geprezen zij de Heilige Naam van Uw machtige koninkrijk van Eeuwigheid tot Eeuwigheid). De laatste zin zegt men zachtjes omdat deze zin niet in de Thora staat. Emmanuel Levinas[1] een grote filosoof zegt: ‘Israël in de Talmoed is niet de aanduiding van een volk maar een aanduiding voor een kwaliteit van mens zijn. Iemand die hoort, die antwoord geeft, zich verantwoordelijk weet. Zijn woord is een woord van vertrouwen.’

De man met één talent wist dat God groot en ontzagwekkend was, dacht God volmaakt te dienen, maar hij vergat: ’Gij zult de Here uw God liefhebben met geheel uw hart en geheel uw verstand en uw naaste als uzelf.’ Hij benadrukte slecht één aspect van God. Dat verlamde hem en hij wilde of kon Zijn Licht niet aannemen, stopte het in de grond. Nu verwijt de knecht de eigenaar dat hij streng is en bekritiseert hem, dat hij maait waar hij niet gezaaid heeft en het inzamelt daar waar Hij niet gestrooid heeft. Kortom zegt hij: ‘Wie bent u dat u een oordeel velt terwijl een ander het werk doet en uiteindelijk weten we niet eens wat de uitkomst zal zijn van ons zwoegen want u bepaalt het allemaal.’

Dat klopt helemaal want onze taak als gelovigen is het Woord te zaaien op een plek waar anderen misschien daarna de oogst zullen binnen halen. Uiteindelijk is het en blijft het Gods werk. Jezus zelf zal het onderscheid maken tussen het goede en het slechte (Kaf van koren scheiden). Hij zegt ook U bent een groot man met veel macht en ik ben bang/ontzag (fob-eh-oin Grieks en in Hebreeuws guwr[2], wat vreemdeling betekent) voor u. Hij bedoelt ‘Wij kunnen ons best doen maar uiteindelijk komt U alle eer toe en beslist U, wat heeft het voor zin.

Wij zijn immers vreemdelingen voor U.’ Een bijzondere uitspraak want juist bij de vreemdeling kon hij rente krijgen, wat hij bij zijn eigen volk niet mocht vragen op basis van Deuteronomium 25:35-37 en Deuteronomium 23:19 maar zelfs dat begreep hij niet of wilde hij niet begrijpen. Deze man denkt dat Hij God kent, maar voelt zich een slaaf en voor wie de opbrengst van zijn zwoegen alleen voor de Schepper is. Hij heeft geen relatie met Hem. Hij snapt ook niet dat de Eeuwige ons nodig heeft om Zijn rijk te bouwen en hij daardoor gezegend wordt.

Hij werkt liever voor zichzelf om zijn eigen monument te vestigen. Ook al heb je maar één talent, wat alsnog heel veel geld is. Je kunt ook met weinig bouwen aan Zijn rijk. Jezus zal niemand overvragen!

Talenten kunnen van zilver, goud en koper zijn. Zilver en goud staan in de bijbel voor Gods woord. (Psalm 12:7, Psalm 19:10) Koper voor genade. Het koperen altaar waarop geofferd werd is een beeld van genade. Een aanduiding dat we nergens op kunnen roemen en het datgene is waarop ons bouwwerk rust. Enkel genade! We bouwen voort op deze genade.

De gouden Menora, of lampenstandaard in het Heilige, is het licht dat schijnt over de toonbroden zoals de Eeuwige Zijn licht laat schijnen over Zijn woord.

(Talenten werden gebruikt voor het maken van het Heiligdom, Exodus 38. Zo mogen wij aan het Heiligdom werken.)

Talent heeft dus ook de betekenis van brood. Het dagelijks brood in het ‘Onze Vader’ is niet alleen het voedsel dat wij dagelijks eten, echter ook het vragen om wijsheid en inzicht ten aanzien van Zijn woord.

Het getal vijf betekent dan in deze context: de vijf boeken van Mozes. Het getal twee wijst naar een huis (Door wijsheid wordt een huis gebouwd, spreuken 24:3) en één naar het sjema.

Wijsheid en inzicht zijn in het Hebreeuws Chokma en Binah en zijn aan elkaar verbonden.

Spreuken 9:5-6: ‘Komt, eet van Mijn brood (woord), en drinkt van den wijn (wijsheid), dien Ik gemengd heb. Verlaat de slechtigheden, en leeft; en treedt in den weg des verstands.’ (Binah)

Het brood en de wijn worden hier vergeleken met inzicht in Gods woord.

In vers 9 en 10 gaat het verder met: ‘Leer den wijze, zo zal hij nog wijzer worden; onderwijs den rechtvaardige, zo zal hij in leer toenemen. De vreze des HEEREN is het beginsel der wijsheid, en de wetenschap der heiligen is verstand.’ (SV)

Het inzicht in Zijn woord is belangrijk om tot kennis te komen wie God eigenlijk is. Hem te kennen.

God wil dat we ons inspannen om te vermeerderen in wijsheid. Ons hart moet neigen naar inzicht. We moeten ernaar speuren als verborgen schatten.

Gods huis wordt gebouwd op wijsheid. De wijsheid is Jezus zelf maar wij zijn als levende stenen daar een onderdeel van. (Spreuken 2:4) We mogen Zijn woord niet in de grond stoppen en daar bewaren. De kroon van de wijzen is hun rijkdom, (Spreuken 14:24) en de mond van een dwaas is zijn eigen ondergang. (Spreuken 18:7) Hier komt terug wat Jezus zegt tegen de man die het niet nodig vond er iets mee te doen.

Het begin van alle wijsheid is de vrees voor God. Dit is niet angst voor God maar weten wie Hij is. Door Zijn woord te bestuderen groeit er inzicht groeit het ontzag voor Hem en groeit je relatie met Hem. De man met één talent had het woordje vrees verkeerd begrepen. Uit angst deed hij niets meer.

Het bestuderen van wie God is blijkt een lastige opdracht. We willen zo graag dat God ons steeds bevestigt in wie wij zijn. Hij vraagt ons om ook te ontdekken wie Hij is.

Zijn liefde komt door inzicht in Zijn woord.

Maimonides een grote Joods geleerde die leefde tussen 1100 en 1200 na Chr. beschreef dat het onderzoeken en bestuderen van de Thora (Gods woord) knuffelen met God is.

‘Welgelukzalig is de mens, die wijsheid (Chokma) vindt, en de mens, die verstandigheid voortbrengt! Want haar koophandel is beter dan de koophandel van zilver, en haar inkomst dan het uitgegraven goud. Zij is kostelijker dan robijnen en al; wat u lusten mag, is met haar niet te vergelijken. Langheid der dagen is in haar rechterhand, in haar linkerhand rijkdom en eer. Haar wegen zijn wegen der liefelijkheid, en al haar paden vrede. Zij is een boom des levens degenen, die ze aangrijpen, en elkeen, die ze vasthoudt, wordt gelukzalig.’ (Spreuken 3:13-17) (SV)

God wil dat we Zijn woord ook uitdelen in deze wereld.

Wij zijn degene die het zaaien onder de mensen en Hij laat het groeien. Wij moeten oogsten en Hij onderscheidt het kaf van het koren. Johannes 4:38: ‘Ik heb u uitgezonden om te oogsten waarvoor u zich niet heeft ingespannen; anderen hebben zich ingespannen en u hebt de vrucht van hun inspanning binnen gehaald.’ Het lijkt wel of de man deze woorden citeert maar dan wel tegen de eigenaar alsof die te weinig doet.

Naast geestelijk brood moeten we ook fysiek brood uitdelen in deze wereld. Mensen in nood helpen en de armen terzijde staan. Horen van Gods woord is ook doen.

Denk je bij jezelf: ‘Ik hoef niets te doen, want God heeft het allemaal al beslist wie er gered zijn. God weet mijn gebed want Hij kent mijn gedachten dus waarom zou ik voor mensen bidden of voor de armen iets doen want arme mensen zullen er altijd zijn. Het is onnodig Zijn woord te delen want dat kost tijd, afwijzing, onbegrip en levert mij weinig op.’ Dan begraaf je de mooie schat die je hebt gekregen. De man met een één talent was alleen met zichzelf bezig. Had geen interesse in de uitbreiding van Gods rijk door woord en daad.

God vraagt medearbeiders in Zijn koninkrijk, Zijn tempel, geen mensen die alleen in zichzelf geïnteresseerd zijn en God gebruiken voor eigen noden. Daarbij is er geen verschil tussen zendingswerk en werk in de wereld.

De priesters waren Gods medearbeiders en deden dienst in de tempel ten behoeve van de gelovigen door bestudering van Zijn woord en dit te onderwijzen, door offers namens het volk te brengen, te dienen, en ze waren daarin afhankelijk van de giften van de mensen. Ze moesten zelf ook delen van hun giften. Ze staken de lampen aan op de Menora om het volk op te roepen een licht voor deze wereld te zijn (goede daden). Ze aten van de toonbroden (Gods woord) op het altaar en staken het reukoffer aan (gebeden). Dit in de tweede tempelperiode. In de eerste tempel periode mocht dit alleen de hogepriester doen.

Zo is onze taak in deze wereld, priesters zijn opdat als Jezus terugkomt, Hij kan vragen waarin we gebouwd hebben aan Zijn rijk? Door wijsheid? Is door ons Gods rijk en Zijn naam groter geworden of is er weinig verandert? Geloof zonder werken is dood. Het Sjema kun je dan reciteren voor je eigen dood.

Meer weten:

Margaret Barker, The Hidden Tradition of the Kingdom of God.

Margaret Barker, Temple Theology.

Peter Schafer, The hidden and manifest God: Some major themes in Early Jewish Mysticism.

Quint P. J. Gouda, Woordenboek des Bijbels, inzonderheid ten gebruike bij de Statenvertaling.

J.P. Hallett, Fathers and Daughters in Roman Society: Women and the Elite Family.

C. Pressler, The View of Women Found in The Deuteronomic Family Laws. Meer weten:  zie mijn boek: De joodse Jezus. Scholten uitgeverij


[1] Levinas E., In de tijd van de volkeren, Garant Apeldoorn, 1991.

[2] guwr H: Hebrew. Strongs 1481.