Ga naar de inhoud

De smalle deur

“Doe je uiterste best om het Koninkrijk binnen te gaan. Want de poort daarheen is maar smal. Ik zeg jullie dat heel veel mensen zullen proberen om naar binnen te gaan. Maar bij veel van hen zal dat niet lukken.

Lukas 13:24

Jezus vertelt in het evangelie van Lucas een gelijkenis over de smalle deur met betrekking tot het koninkrijk van God. Hij doet een oproep en zegt: ‘strijdt ervoor om binnen te komen door de smalle deur. Want ik zeg u velen zullen proberen binnen te komen maar zullen het niet kunnen’.

Op een dag, zo vertelt Jezus verder, doet de Heer des huizes de deur op slot. Mensen zullen kloppen en roepen dat ze naar Zijn onderricht hebben geluisterd en dat ze met hem gegeten en gedronken hebben. Maar helaas de deur gaat niet meer open. Een ernstige boodschap. Waar gaat het hier om en wat is de smalle deur?

Ooit woonde ik in een studentenhuis en op de gang hing een plaat van de brede en smalle weg. De brede weg was een weg vol vertier en de smalle weg was een weg van afzien. Zelf was ik in die tijd niet gelovig en vond die poster vreselijk. Onder vertier verstond men dansen, bioscoop, de kermis. Het geloof zoals dat daar werd voorgespiegeld was bepaald geen aantrekkelijke optie voor mij.

Is dit nu wat God voor ogen heeft met de vergelijking van de brede en smalle deur? Wat Jezus hier zegt heeft niets met vertier te maken, maar is een verwijzing naar de Tabernakel.

De Tabernakel in de woestijn was Gods huis evenals later de Tempel dat was. Nu kon je het gebied rondom de Tabernakel, de Voorhof, alleen binnen gaan door een grote deur en enkel mogelijk voor de priesters en Levieten. Om de Tabernakel heen stond een linnen hekwerk dat aan één kant een opening bevatte. In Exodus 27:9-19 staat hoe de ruimte voor de Tent van ontmoeting of Tabernakel eruit moest zien. Aan de oostkant had de ingang van de Voorhof een breedte van 10 meter. Deze ingang bestond uit een kleurrijk doek van blauwpaars, met dieprode wol en getwijnd wit linnen. De kleuren zijn een verwijzing naar de kleuren van de Messias. Het blauwpaarse geeft Zijn koninklijke status aan, het witte linnen Zijn Hogepriesterschap en de dieprode wol de reiniging van de zonden door Zijn bloed. Wilde je binnen gaan in de Voorhof dan wist je dat het enkel uit genade was. (Bloed bij het offeren was toen al een teken van verzoening en genade) Binnen in de Voorhof stond een reukofferaltaar met een wasbekken. Daar, op het altaar werden dierenoffers gebracht en bij sommige offers moesten de priesters mee eten met God, zoals bij het boete offer in Leviticus 7:28 en het graanoffer in Leviticus 2:10. God herinnerde hen eraan dat ze iedere vorm van hun dierlijke emoties moesten onderdrukken en daar ook boete voor moesten doen.

Iemand uit het volk bracht de offers naar de ingang van de Tabernakel waar in het bijzijn van de priester het dier geslacht werd. Beide stonden daar en de één kon zich niet boven de ander stellen. De gewone Israëliet mocht trouwens niet de Voorhof van de Tabernakel betreden, dit was alleen voor Aaron, zijn zonen en de Levieten. Niemand anders dan Aaron en zijn nageslacht mochten het Heilige betreden en van de broden eten. Tijdens de 1e Tempelperiode veranderde dat en tijdens de 2 e  Tempelperiode had er zoveel corruptie plaatsgevonden dat de hogepriester (in Jezus tijd) zelfs een gekocht priesterschap was. Zij kwamen dus ongeoorloofd in de Tempel. Maar Jezus, de echte Hogepriester, was er niet welkom.

Ten tijde van de 2 e Tempel mochten heidenen (vreemdelingen) in de Voorhof komen, dat heette toen het plein van de heidenen, maar daarna de Tempel niet verder naderen. Tijdens deze 2e Tempel periode stond daar zelfs de doodsstraf op. Ook is Jezus vaak te zien op het plein van de heidenen van de Tempel om daar bijbeluitleg te geven.

In de Voorhof werden tijdens de 1e Tempelperiode en 2 e Tempelperiode de lofzangen gezongen door Korachieten (Psalm 100). Lofprijzing was dus altijd buiten en niet in de Tempel of Tabernakel.

Nu was de deur tot de Tabernakel en ook de deur tot de Tempel een hele smalle deur. In de Tabernakel hing een zwaar doek voor de ingang met dezelfde kleuren als bij de ingang van de Voorhof en het Heiligen der Heiligen.

Men moest het gewoven kleed een beetje opzijschuiven en er bukkend door naar binnen gaan. De hogepriester (in witte linnen) wist heel goed dat hij enkel door genade hier naar binnen mocht (rode kleur) en dat hij zich niets moest voorwenden want de status die hij had gekregen was door afstamming (de paarsblauwe kleur) en geen verdienste.

Deze smalle deur gaf toegang tot Gods huis, het Heilige genoemd. Het was de trouwkamer van God en daarachter lag het heilige der Heiligen dat werd gezien als de slaapkamer van God. Deze laatste ruimte weerspiegelde intimiteit met God.

Het Heilige, daar waar de tafel der Toonbroden stond, een metafoor voor het kennen van Gods woord, de Menora, een teken van wijsheid, inzicht in Zijn woord en goede daden en het reukofferaltaar, verwijzend naar gebed, was de plek waar de hogepriester dienst deed. Het was zijn dagelijkse werk om de kandelaar aan te steken en het reukoffer te laten branden. Wekelijks werden de Toonbroden verwisselt door hem. (Het heeft een relatie met de joodse gelovigen die wekelijks een nieuw hoofdstuk uit de Thora lezen en deze tekst wordt dan die week bestudeerd)

Eén keer per jaar tijdens grote Verzoendag mocht hij het heilige der Heiligen betreden. Wekelijks moest hij met zijn familie de broden eten in het Heilige.

Zijn geestelijk huis was de Tabernakel. Niet dat hij daar dag en nacht was maar het was zijn diensthuis en daarmee ook het geestelijke huis van het volk. Ook al mochten de gewone Israëlieten niet in de tabernakel komen, het was wel hun geestelijk voorbeeld. God woonde in de harten van de mensen en tegelijkertijd mochten ze opzien naar de Tabernakel.

Nu wil Jezus (Onze Hogepriester) dat we Hem volgen. Doen zoals Hij deed en dus gedragen zijnde een priester en opklimmende naar hogepriesterschap om net als Hij te wonen in de Tabernakel. Hij wil dat we door de smalle deur gaan. Niet in de Voorhof blijven hangen. Hij wil met ons wonen in Zijn huis, Zijn Tabernakel. Dat vraagt eerst dat we onszelf afleggen en offeren op het altaar dat in het begin van de Voorhof staat. We daarna naar het wasbekken gaan (we gedoopt zijn in Hem) waarmee we uiteindelijk onze levensstijl gaan afleggen om Zijn levensstijl aan te nemen. We mogen ons dierlijke huis afdoen, onze zelfzuchtige emoties die bepaald niet ten goede komen aan de mensen om ons heen, onze onderbuik gevoelens en ons reinigen oor het offer van Jezus. Adam kreeg dierenvellen om zich heen, toen hij in zonde viel, als verwijzing naar zijn dierlijke emoties die hij niet kon onderdrukken. Hij had dus het witte mooi gewaad afgelegd voor een dierenpak als bedekking.

God vraagt ons onze priesterkleren aan te trekken en zo Gods huis binnen te gaan door de smalle deur dat verwijst naar Zijn genade en Zijn koningschap. Het zijn de priesterkleren die gehoorzaamheid en liefde voor God uitdrukken. Het gaat daarbij niet om de regeltjes. De Thora (lees wet) met zijn woorden is namelijk op je hart geschreven. Als het leven niet meer is dan regeltjes, dan woon je buiten Gods huis ook al denk je dat het niet zo is. Het is gehoorzaamheid vanuit liefde.

Je kunt wel zeggen: ‘ik heb U gehoord en aan het avondmaal deelgehad’, maar God vraagt van je het leven van een priester en hogepriester te beoefenen. Dat wil zeggen dat ons leven een totale aflegging van onze dierlijke emoties mag zijn. Het betekent niet alles willen hebben, wel alles kunnen delen en tevreden zijn met genoeg, geen kwade tong te hebben, eerlijk te zijn. Het gevoel is niet de drijfveer meer. Het vraagt daarnaast een leven van recht en gerechtigheid. Het is buigen voor de ander en niet wijs te zijn in eigen ogen. Gods woorden tot je nemen en uit te delen, te knielen voor Gods wil. Verantwoordelijkheid te dragen voor onze naaste, wat ten koste kan gaan van jezelf.  

Hij mag door ons heen verheerlijkt worden.

Zo alleen kunnen we de smalle deur ingaan. Het leven van een hogepriester leven is wat God van ons vraagt.

Wat is hogepriesterschap?

Lees: Ezechiel 18

Lees: Job 29

Beide vertegenwoordigen de taak van de hogepriester.

Vraag:

Waar liggen je uitdagingen met betrekking tot je emoties, je gedragingen?

Petrus zegt niet voor niks in 1 Petrus 2:1-10. Leg dan af alle slechtheid, bedrog, huichelarij, afgunst en alle kwaadsprekerij. Colossenzen 3:5 vult het aan met onreinheid, hartstocht, kwade begeerte en hebzucht, die afgoderij is. Kortom veel om aan te werken, waarbij je waarschijnlijk in dit leven het niet allemaal zal lukken en dus is die genade hard nodig. We mogen er wel aan werken en zijn we allemaal werk in uitvoering. Als je er echter niets aan wilt doen en het de vrije loop laat dan gaat er ergens iets mis. Willens en wetens je gedrag niet veranderen maakt dat je uiteindelijk buiten kan komen te staat.