In Genesis staat het verhaal van de man die zijn broer doodslaat. Aan deze verschrikkelijke daad ging een gebeurtenis vooraf. Beide broers brachten een offer aan de Heer. Een prachtig gebaar. Abel koos daarvoor een lam uit zijn kudde en Kaïn graan van het land. Maar Kaïn werd jaloers omdat het offer van Abel wel door God aanvaard werd en zijn offer niet. Hoe kan dat?
Als je goed naar de tekst kijkt, zie je een aantal opmerkelijke dingen.
Offeren werd in die tijd veel gedaan en het offer van Abel heet in de bijbel een brandoffer en het offer van Kaïn heet eenoffer. Het dagelijks gebed heet ook een mincha offer (graanoffer) in de synagoge. Je offert het woord (graan is een metafoor voor het woord van God) in je gebeden. Een groot deel van het mincha gebed bestaat uit Psalm 145. Deze Psalm beschrijft de grootheid van de Heer. De Heer is allen nabij die Hem in waarheid aanroepen staat er onder andere.
Is nu het ene offer beter dan het andere? Nee. Allebei zijn ze goed.
De offers worden uitgebreid beschreven in het boek Leviticus; het graanoffer in Leviticus 2.
Nu is het wel zo dat het verhaal van Kaïn en Abel veel eerder is beschreven dan de Thora. Maar ook in die tijd waren deze offers aan de goden al bekend. ( John Walton*)
Wat nog meer opvalt aan de tekst is dat het offer van Abel het beste van de kudde was en het offer van Kaïn graan was dat op het eind van de dagen opgehaald werd. (Er staat: Miqetz wat betekent gelimiteerd en…….. het laatste (van de oogst). Het eind van de oogst is niet het beste van de oogst. Het zijn de ‘leftovers’. Dat wat later door de armen opgeraapt mag worden. Kaïn vindt dat hij zo hard heeft gewerkt dat hij het beste voor zichzelf mag bewaren en dat wat over is, is voor God. Hij limiteert zijn gave. Hij wil het restje nog wel voor God oprapen. Hij is de harde werker en God heeft er immers niets voor gedaan. God wordt hierbij gezien als de armoedzaaier.
Hij beseft niet dat, ook al heeft hij hard voor zijn oogst moeten werken, niets hem toebehoort. Het is God van wie de aarde is, die de zon doet schijnen en de regen geeft. God is de grootgrondbezitter en niet Kain. Dat was hij even vergeten. Hij ziet zijn loon, zijn oogst als beloning voor zijn eigen harde werken en niet een van God gekregen schat, die hij door genade heeft ontvangen.
Zijn Hemelse Vader hoorde het beste deel te krijgen en niet de restjes. Kaïn laat een volkomen gebrek aan ontzag voor de Eeuwige zien. In Leviticus 23 staat dat het eerste van de oogst aan God toekomt. Zo had Kaïn dat moeten doen. Het offer wat hij bracht, had het beste van de oogst moeten zijn. God is de bron van het bestaan. Hij is Heilig en goed en aan Hem behoort heel ons leven en idem het salaris waar we hard voor hebben moeten werken. Dat had Kaïn moeten toepassen en dan had ook hij de zegen gekregen en was zijn offer aanvaard.
Ons beste deel?
Als we dat nu eens toepassen op ons eigen leven, dan is het niet de bedoeling dat wij ons hele salaris voor onszelf houden en dat wat er aan het eind van de maand over is misschien wel kan worden weggegeven. Krijgt onze Vader wel het beste deel van ons leven, ons salaris, onze tijd? Of geven we Hem de restjes?
Dit kunnen we ook toepassen op ons gebed, het graanoffer. God is het die aan het einde van de dag nog wel wat tijd krijgt. De hele dag zijn we druk met onszelf bezig en op het laatst is er misschien wel een ‘restje’ voor Hem. Roepen we Hem dan in waarheid aan of willen we er snel vanaf zijn met ons verlanglijstje. Dat wat er overblijft, daar moet onze Vader het mee stellen? Dit is niet het denken wat bij Gods rijk hoort. Hij verdient het beste van onze tijd en onze aandacht, in liefde gegeven. Daarbij beseffende: niets is van ons maar alles is van Hem. Zo vraagt God te leven in vertrouwen dat Hij voor ons zorgt en wij daardoor makkelijk kunnen geven aan onze naaste.
God is niet eens boos op Kaïn maar neemt de kliekjes niet aan. Hij zegt dat Hij goed is en daarmee refereert Hij aan de schepping waarin God zag dat het goed was omdat Hij het tot stand bracht. Hij is de maker van alles, ook van de zaaddragende gewassen en vruchten van het land. Genesis 1 vers 5 en 6 zegt ook dat niets kan groeien zonder regen van boven en water van onder. In en voor alles mogen we Hem gedenken. Hij is genadig en Heilig. Besef daarom dat niet wij de schepper zijn maar dat alles van Hem is en tot Zijn eer.
God wil dat we uitdelen liefst twintig procent of meer, waarvan in ieder geval tien procent voor de ‘priesters’ (Numeri 18:21) en tien procent om de feesten te vieren. (Deuteronomium 14:22, Zijn feesten). Lekkers kopen voor de sabbat, loofhutten of een ander feest en dat uitdelen aan de mensen om je heen. Dat is denken volgens Gods Koninkrijk. Priesters zijn wij allemaal, wat niet betekent dat je aan jezelf schenkt, maar aan anderen die ook in Gods rijk werken. En ook zij op hun beurt moeten tien procent afstaan volgens Leviticus 18:25 en ook dat moet het beste deel zijn.
Korban
Wij leven om God te eren, door te offeren. Het bijzondere is dat het woord voor offer: korban is. Dit woord heeft ook de betekenis van naderbij komen. (karov). We kunnen alleen God naderen als wij niets meenemen en erkennen dat alles van Hem is. Hij komt ons dan tegemoet. Onszelf offeren betekent snijden in eigen vlees. Dat doet pijn.
De naam Abel komt van Hebel. In het Hebreeuws betekent het: waardeloos, een windvlaagje, een zucht. De naam Kaïn betekent echter: bezitter, verkrijgen. Kaïn was de grootgrondbezitter. Hij die alles zou krijgen als eerstgeborene.
In hun namen zie je al hun gedachten die er is over de ander. De bezitter, hij die alles heeft, kijkt neer op degene die waardeloos is in zijn ogen, die weinig toevoegt aan de samenleving. Toch ziet hij in Abel ook iets is dat hij zelf niet heeft.
Abel weet dat hij het niet van zichzelf moet hebben, hij is slechts een zucht in de wind. Hij weet dat alles van Hem is. Daarom staat hij los van hang naar materie, hang naar meer, hang naar erkenning en dat maakt Kaïn jaloers. Kaïn wil vooral gezien worden in wat hij doet, hoe hard hij werkt, zijn vermogen en succes. Maar God kijkt anders. Hij wil ons hart en niet onze materie noch ons succes. Hij wil dat we onszelf offeren als een volkomen offer. Het dier in ons mogen we achterlaten. Dat begreep Abel heel goed in zijn offer..
Kain zijn ‘waardeloze’, broer kreeg de gunst van God. Toen Abel op het land van Kaïn kwam met zijn kudde vond Kaïn dat Abel daar geen recht op had en ontstak de woede in hem, met de dood van zijn broer tot gevolg. Het beest in hem kwam in al zijn kracht naar buiten en werd onbeheersbaar. Hij vond dat hij niet zijn broeders hoeder was toen God vroeg waar Abel was. Bijzonder is dat hij wel wil dat God zijn hoeder is als hij van zijn land weg moet.
Het doet denken aan de Tweede Wereldoorlog. We wilden door God beschermd worden maar de joden en sinti beschermen was voor velen toch te veel gevraagd. In deze tijd zien we een andere vorm van grootgrondbezitter gedrag, namelijk: komt er iemand op ons grondgebied en binnen onze grenzen dan vinden we dat de ander daar geen recht op heeft. We voelen ons bedreigd en als we met hen moeten delen van onze welvaart zijn we argwanend.
Kaïn zie je ook terug in de huidige mens die zijn successen op, instagram en facebook zet. ‘Kijk eens hoe geweldig mijn kinderen zijn’ of de behaalde trofeeën in de sport, hobby’s of bedrijf worden breeduit tentoongesteld. De ‘vrienden’ moeten dan zoveel mogelijk likes geven. Je bent de held van de dag of de week. Dit alles geeft je zelfvertrouwen een boost.
Nu mag je best iets posten over je kinderen of bedrijf maar bedenk even: wat wil je ermee?
In het laatste boek van Joris Luyendijk, De Zeven vinkjes, beschrijft hij de teloorgang van onze maatschappij door dit gedrag. Kun je zeven kruisjes achter je naam zetten doordat je hoog opgeleid bent? Man, blank, van welgestelde ouders, Nederlandse nationaliteit et cetera? Dan maak je het in dit leven, heb je succes. Tegelijkertijd misgun je de ander zijn bestaan. Op de groen/gele hesjes kijk je neer. Die gebruik je voor je eigen doel. De kledingindustrie staat er bol van. Dat daar mensen zitten die niet gezien worden, is niet onze zorg, zolang wij er maar up to date bij kunnen lopen.
Dat wijzelf gezien willen worden, heeft verregaande consequenties voor de armen dichtbij en ver weg.
Nog een voorbeeld: een collega oppert een idee, dat wordt vergeten en weken later noemt iemand anders hetzelfde idee. De collega schiet volkomen uit zijn slof want hij was de bedenker. We zijn voortdurend op zoek naar bevestiging en eer.
Is niet alles tot Zijn eer? Hij is het begin en het einde van al ons denken. Geen kind is van ons, geen opleiding, geen bedrijf is tot onze eigen eer.
Wat zijn onze drijfveren en wie dien je? Wees voorzichtig en bedenk vooraf waarom je iets doet en waarom je hier bent. God moet het beste deel van ons krijgen. Hij krijgt de eer en het gaat niet om ons. Hij is het die we kunnen naderen door alles aan Hem op te dragen. Tijd, geld, macht, succes, eer….. alles. Hij wil ook niet dat we ons in het zweet werken voor de materie maar wil dat we als Abel zijn, wetende dat Hij de herder is en wij de schapen. We mogen voor de schapen zorgen maar we zijn tegelijkertijd onderdeel van de kudde.
God zorgt voor ons en we zijn slechts een zuchtje in de wind. Toch maakt Hij ons leven waardevol. Door onze afhankelijkheid en onze dierlijke gevoelens te offeren komen we dichter bij Hem.
Binnen de synagoge kent men het Baruch Ha Shem. Het betekent Gezegend is De Naam. ‘Hoe gaat het met je’, wordt regelmatig gevraagd en waarop men vaak antwoord met: ‘goed, Baruch Ha shem’. Aan Hem de eer.
Jezus zelf was een voorbeeld van iemand die Zijn leven aflegde en gehoorzaam bleef tot de dood. De gele hesjes waren zijn discipelen, de niet-welgestelde mensen. Hij vernederde zichzelf, zocht geen eer, was niet uit op likes en liet in alles zien dat Hij de geneesheer was van onze hoogmoed.
Laat jij je genezen? Of bepaal jij je eigen leven. Geef je Hem de eer? Of wordt Jezus een nevel in je leven. Steeds opnieuw vraag ik mij dat af ook als ik hier schrijf. Tot wiens eer schrijf ik hier? Zo leuk om kennis te strooien of wil ik Hem dienen?
Moge de naam van de Heer
* John Walton: The lost world of Genesis one