Ga naar de inhoud

Op weg naar Pasen: Deel 2

Een doornenkroon en een brandende doornstruik.

Een politieman ziet meneer Feinblatt op een bank in een Moskou ’s park zitten,

die een Hebreeuwse krant aan het lezen was.

” Wat ben jij aan het doen? Een krant aan het lezen in die…. Joodse taal’?  Schreeuwde de politieman.

‘Ik bereid mezelf voor om naar de hemel te gaan’ antwoordde Feinblatt.

‘Nou wat als je eindigt in de hel’? Schreeuwde de politieman

‘Geen probleem’, zie Feinblatt. ‘Ik spreek al Russisch’.

Bron: Jewishaction.com

Het bovenstaande zegt in een mooie parabel wat een doornenkroon en een doornstruik met elkaar te maken hebben.

Om dit verband te zien gaan even terug naar Exodus 3. Mozes weidt zijn schapen in de woestijn. Daar komt hij bij de berg Horeb en verschijnt de Heer hem in een brandende doornstruik (er staat doornstruik en geen braamstruik). De Heer ziet dat het volk gebukt gaat onder de slavernij, en geeft de opdracht aan Mozes het volk uit deze ellende te verlossen. Het volk leefde in ballingschap in Egypte. In het Hebreeuws heet dat: de galoet. Dat betekent: een spiritueel leven (in die tijd ook een fysiek leven) ver weg van het beloofde land. De galoet of wel de verstrooiing, ballingschap, is binnen het joodse denken: de hel. Daar zijn de afgoden, daar is de slavernij. Daar ben je niet vrij. Het is ver verwijderd van de Tempel van God. De Tempel is de plaats waar je geen slaaf meer bent maar kind van de Allerhoogste. (zie blog: Rijke man en arme Lazarus.) Het joodse geloof kent geen hel van eeuwig branden op de manier waarin christenen dat geloven. Dat brandende in die doornstruik, is de ellende van de ballingschap. De droogte van buiten Gods huis leven.

(Buiten Gods huis zijn de afgoden, binnen Gods huis zijn ze verwijderd door Jezus)

Jezus droeg een doornenkroon die door de Romeinen was opgezet. Voor hen had het geen enkele betekenis maar de joden uit die tijd hadden de gelijkenis met Exodus 3 wel kunnen zien. Jezus was de profeet die voorspeld werd in Deuteronomium 18:15-19. De nieuwe ‘Mozes’ (groter dan Mozes) die het volk uit de geestelijke ballingschap zou leiden.

Het joodse volk leefde in Israël in een geestelijke woestijn. Thuis in het land maar niet vrij. Men leed geestelijk honger. Ze leefden in geestelijke verstrooiing op dat moment. Ze werden onderdrukt door het Romeinse rijk en de geestelijke orde uit die tijd. Deze waren de slavendrijvers die de mensen knechtten en onderdrukten. Het volk moest bevrijd worden van deze onderdrukkers en hun eigen afgoderij. Bevrijd worden uit het ‘Egypte’ van hun afgoderij en onderdrukking.

Deze doornenkroon op Jezus hoofd verwees naar de doornstruik bij Mozes. Het symbool van God zelf (Jezus) die het volk wilde uitleiden uit hun geestelijke Egypte. Dat vertegenwoordigde die doornenkroon. De geestelijke orde was echter te blind om het te zien.

De doornenstruik, terugkijkend naar ooit een uittocht uit Egypte en vooruitkijkend naar een doornenkroon waar Jezus het volk wil redden. Het einde van de ‘ballingschap’ voor hen en ook voor de volken die nu naar het nieuwe Jeruzalem (Gods Troon) mochten komen. De Herder van Israël, die zijn schapen uit de woestijn wilde/wil leiden naar het beloofde land. Geen fysiek land maar een geestelijk land met een geestelijk Huis voor alle volken met een geestelijke stad. (Waarbij ik niet zeg dat die er nooit gaat komen) Halen we de afgoden weer binnen dan begeven we ons naar de uitgang van Zijn huis. Is Hij Koning over ons leven of zijn we het zelf? We zeggen en zingen: ‘Jezus is Koning’. Maar op het moment dat we roemen in onze goede daden, in onze kinderen, in ons werk, in ons banksaldo, ons huis, onze kennis, en noem maar op.. ..dan gaat het mis. We hebben een heel leven de tijd om onze eigen ‘ik‘ af te leggen. Hij wil ons uit de ballingschap thuisbrengen. De hoogmoed, het beter weten moet aan de kant. Toen Adam en Eva zondigden door deze hoogmoed werden ze verwijderd uit de tuin der Tuinen. De galoet in.

Het woord galoet komt van galah en werd in het oude Hebreeuwse denken gezien als naaktheid, schande en openbaar maken van zonde. De ballingschap was een teken van oordeel. Je kon echter altijd terugkomen, door verootmoediging en schuld belijden. Adam en Eva werden naakt. Zij wilden zelf Koning zijn. De straf was: niet meer gekleed als priester in Gods huis maar een leven buiten Zijn huis. Dorens en distels zal het geven. Slavenarbeid. Jezus brengt door Zijn lijden de ballingen thuis. Daar verwijst de doornenkroon o.a. naar. Zoals Mozes ooit de opdracht kreeg bij de brandende doornstruik om het volk uit Egypte te leiden, zo bracht/brengt Jezus ons uit een geestelijk Egypte naar het Vaderhuis.

Aanvulling op het eerste verhaal: de hel, is de ballingschap (Rusland) waar Feinblatt zich bevond en de hemel was het beloofde land met de Tempel in het joodse denken.