Soekot, deel 2
In Leviticus 23:34-43 krijgen de Israëlieten de opdracht om Soekot te vieren op de 15e dag van de zevende maand. Bedenk dat op de 15e dag van de eerste maand in de avond (van de 14 e en is dus de 15e) men het Pesach lam moest eten. Ons Pesachlam is Jezus en Hij is door Zijn lijden en sterven onze schuilplaats en hut (soeka) geworden. (Ik ga de vervallen hut van David weer opbouwen). Waarom een hut? Het woord soeka komt van het woord: sakak wat geweven betekent.
Jesaja 4:1. Er zal een soeka zijn om de schaduw te geven tegen de hitte van de dag en als toevlucht en bescherming tegen de storm en de regen. Een geweven hut geeft letterlijk weinig bescherming tegen storm en regen. Bedoelt God dit letterlijk? Nee, in geestelijke zin is Hij onze beschermer tegen stormen.
Even terug naar Pesach.
Op Pesach dag begint ook het eten van de matze voor zevendagen. (Het feest van de ongezuurde broden) Het eten daarvan laat zien dat je rein van onrein scheidt, heilig van niet heilig, hoogmoed van nederigheid. Het is een symbool van jezelf afleggen, je afhankelijk weten. Ook Soekot duurt zeven dagen waarin je je afhankelijk mag weten van de Vader door tijdelijk in een hut te wonen.
Wij zijn immers ook ‘maar’ een geweven soeka in de moederschoot zoals Psalm 139 zegt.
Jezus heeft beide (en alle) feesten volbracht door Zijn aardse hut af te leggen aan het kruis.
Hij heeft in zichzelf een nieuwe hut opgericht waarin wij mogen leven. Hij is de nieuwe Tabernakel (tent). In Psalm 27:5 wordt de Tabernakel vergeleken met een tent. De Tabernakel heet de ‘mishkan’ en heeft ook de betekenis van een herdershut. (Gemaakt voor de dieren). Tabernakel= tent=is een herdershut.
Psalm 27:5 Hij laat mij schuilen onder Zijn dak
Op de dag van het kwaad
Hij verbergt mij veilig in Zijn tent.
Hij tilt mij hoog op de rots.
2000 jaar geleden is het feest Soekot begonnen en nog steeds vinden mensen hun weg naar dit onderkomen. De Heilig Geest zal ons en hen overschaduwen zoals ook Maria (een geweven hut) eens overschaduwd werd en mogen we vruchtbaar worden. Kinderen krijgen tot Zijn eer.
.
Het dak van de soeka moest bedekt worden met takken zoals God in Leviticus 23 en Nehemia 8 aangeeft.
Er zijn verschillen in tekst tussen de twee boeken wat betreft de bedekking. In Nehemia wordt er melding gemaakt van olijftakken terwijl dat in Leviticus niet wordt genoemd. In Leviticus heeft God het over wilgentakken terwijl Nehemia 8 spreekt over mythetakken en takken van loofbomen.
Wie heeft de waarheid? Daar is niemand over uit en ik denk dat het te maken heeft met de boodschap in Nehemia en in Leviticus. In Leviticus spreekt God tegen een mengeling van volken, die zijn meegekomen naast de Israëlieten en de wilg is daar een symbool van. (Het woord voor wilg en mengeling van volken is hetzelfde in het Hebreeuws). In Nehemia spreekt men tegen het volk dat in het land (joden) woont en de Myrthe tak en de Olijf is een beeld van Israël. Zij moeten een heerlijke geur verspreiden (Myrthe) door de Thora te leven en een licht zijn voor de wereld (olie uit de olijf).
Terugkomend op de wilg en de palmtak. Het zijn bomen die staan aan waterstromen. Waterstromen is een beeld van de Heilige Geest. De Heilige Geest die overal heengaat en zich niet beperkt weet door grenzen, De Geest is ook gegeven aan de volken.
De wilg, een beeld van deze volken, zijn deel van de hut. Het woord voor wilg en voor een mengeling van volken is Ajin, Rosh, beth en bij de wilg komt er een He bij. De He is volgens de mystieke leer een uiting van de Heilige Wind. De volken aangeraakt door Gods Geest zijn een onderdeel van Gods woning. Jona wil echter niets met die volken te maken hebben. Zij zijn degenen die armzalige afgoden vereren. (Jona 2:9) Jona maakte een Soeka maar wil er niet in zitten want die hut doet hem daaraan denken. Hij wil liever dat de volken verdrinken in hun eigen kwaad dan dat hij ze kan redden met een boodschap over de God van Israël.
God had nu een wonderboom doen opschieten. Daar ging hij onder zitten. Jona vond het fijner onder de boom dan in Gods huis, dat hij misschien zou moeten delen met in zijn ogen afgodendienaars. Echter, deze boom werd zijn nu zijn afgod.
Het doet denken aan de boom van kennis van goed en kwaad. Jona vindt dat hij goed en kwaad beter kan onderscheiden dan God en baalt van Gods goedheid.
Hij maakt zichzelf tot God en rechter. Een oude kwaal!!
Volgende week: Jona en Soekot deel 3